Gallery Project 2.0 logo

EN | NL

Toon Tullemans – Unbearable Lightness

Van 3 tot en met 31 Juli zal in galerie Project 2.0 op het Noordeinde in Den Haag de expositie Unbearable Lightness van kunstenaar Toon Tullemans te zien zijn.

Toon Tullemans over Unbearable Lightness:

Met de expositie “Unbearable Lightness” verwijs ik naar de tragiek van de menselijke existentie. Kundera heeft dat in zijn roman met de gelijknamige prachtige titel The Unbearable lightness of being (1982) verwoord. Mij fascineert het besef dat het leven eenmalig is en dat iedere menselijke beslissing, universeel gesproken, geen betekenis heeft. Dit zadelt ons op met een persoonlijk dilemma hoe hiermee om te gaan. Het kan zowel een ondraaglijke last zijn als een bevrijdende gedachte. De enige zekerheid die we in onze existentie hebben is onze vergankelijkheid. Het besef van die vergankelijkheid echter geeft er tevens betekenis aan. Mijn beelden gaan veelal over deze paradox. Het is de thematiek van schoonheid in vergankelijkheid en van vanitas. In mijn beelden zie je leven of levenskracht direct gekoppeld aan verval. Enerzijds vertonen de beelden een schijnbare berusting, anderzijds lijken ze de vergankelijkheid te weerstaan. Tragiek en humor zijn hier net als aantrekkelijkheid en afstotelijkheid de keerzijde van dezelfde medaille. Ik streef ernaar die in een beeld te verenigen. De figuren die ik maak uiten geen menselijke emotie. Hun gezichtsuitdrukking is neutraal. Hun persoonlijkheid lijkt afwezig. Zij staan nadrukkelijk niet model voor een individu maar zijn een verwijzing naar een invoelbare omstandigheid die ons in onze menselijkheid allemaal betreft. Het is die omstandigheid en hun materiële verschijning die emotie kan oproepen.

Unbearable Lightness is voor mij een metafoor voor hoe ik kunst het liefst maak en beleef. Enerzijds vanuit een schijnbaar speels gemak en (letterlijk) lichte verschijning anderzijds met een zwaarwegende onderliggende betekenislaag. Toon Tullemans

Die Erwachsene

Das alles stand auf ihr und war die Welt und stand auf ihr mit allem, Angst und Gnade, wie Bäume stehen, wachsend und gerade, ganz Bild und bildlos wie die Bundeslade und feierlich, wie auf ein Volk gestellt.
Und sie ertrug es; trug bis obenhin das Fliegende, Entfliehende, Entfernte, das Ungeheuere, noch Unerlernte
gelassen wie die Wasserträgerin den vollen Krug. Bis mitten unterm Spiel, verwandelnd und auf andres vorbereitend, der erste weiße Schleier, leise gleitend, über das aufgetane Antlitz fiel
fast undurchsichtig und sich nie mehr hebend und irgendwie auf alle Fragen ihr nur eine Antwort vage wiedergebend: In dir, du Kindgewesene, in dir.

R.M. Rilke